From French-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: vice‐ /vˈis/ onder‐, substituut‐, vice‐
vice‐ /vˈis/ onder‐, substituut‐, vice‐
From French-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: vice /vis/ 1. ontucht 2. beschadiging, defect, gebrek 3. ondeugd 4. afwezigheid, euvel, gemis, tekort, tekortkoming
vice /vis/ 1. ontucht 2. beschadiging, defect, gebrek 3. ondeugd 4. afwezigheid, euvel, gemis, tekort, tekortkoming