From French-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: troubler /truble/ 1. agiteren, ophitsen, opruien, opstoken, opwinden, schudden 2. dooreenhalen, van zijn stuk brengen, verwarren, verwisselen 3. verduisteren 4. vertroebelen
troubler /truble/ 1. agiteren, ophitsen, opruien, opstoken, opwinden, schudden 2. dooreenhalen, van zijn stuk brengen, verwarren, verwisselen 3. verduisteren 4. vertroebelen