From French-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: tout /tu/ 1. bijster, bijzonder, heel, erg, terdege, zeer 2. finaal, geheel, helemaal, totaal, volkomen, volledig 3. allerhande, allerlei, van elke soort 4. allemaal, alles
tout /tu/ 1. bijster, bijzonder, heel, erg, terdege, zeer 2. finaal, geheel, helemaal, totaal, volkomen, volledig 3. allerhande, allerlei, van elke soort 4. allemaal, alles