From French-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: suite /sɥit/ 1. gevolg 2. bestendiging, vervolg, voortzetting 3. consequentie 4. afloop, resultaat, uitkomst, uitvloeisel, voortvloeisel 5. aanhang 6. aaneenschakeling, opeenvolging, volgorde
suite /sɥit/ 1. gevolg 2. bestendiging, vervolg, voortzetting 3. consequentie 4. afloop, resultaat, uitkomst, uitvloeisel, voortvloeisel 5. aanhang 6. aaneenschakeling, opeenvolging, volgorde