From French-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: mal /mal/ 1. pijn, wee, zeer 2. schade, zonde 3. beroerd, kwaad, kwalijk, slecht, verkeerd 4. boze, kwade
mal /mal/ 1. pijn, wee, zeer 2. schade, zonde 3. beroerd, kwaad, kwalijk, slecht, verkeerd 4. boze, kwade