From French-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2:
lui /lɥi/ 1. de, het, aan de, aan het, naar de, naar het 2. aan 'm, aan hem, 'm, hem, naar 'm, naar hem 3. daaraan, daar ... aan, eraan, er ... aan, erheen, er ... heen 4. aan haar, aan 'r, aan d'r, haar, 'r, d'r, naar haar, naar d'r 5. 'ie, hij 6. 't