From French-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: fort /fɔr/ 1. fiks, geducht, krachtig, sterk, straf, zwaar 2. hard, luid 3. hardop 4. bijster, bijzonder, heel, erg, terdege, zeer
fort /fɔr/ 1. fiks, geducht, krachtig, sterk, straf, zwaar 2. hard, luid 3. hardop 4. bijster, bijzonder, heel, erg, terdege, zeer