From French-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: bander /bãde/ 1. verbinden, zwachtelen, inzwachtelen, omzwachtelen 2. nauwer aanhalen, opwinden, spannen, strekken, uitrekken
bander /bãde/ 1. verbinden, zwachtelen, inzwachtelen, omzwachtelen 2. nauwer aanhalen, opwinden, spannen, strekken, uitrekken