From French-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: aller /ale/ 1. gesteld zijn, het maken 2. gaan, lopen, van stapel lopen, verlopen, zich begeven 3. karren, rijden, varen
aller /ale/ 1. gesteld zijn, het maken 2. gaan, lopen, van stapel lopen, verlopen, zich begeven 3. karren, rijden, varen