From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: wave /weiv/ 1. gebaren, wuiven, zwaaien 2. baar, golf, gulp 3. onduleren 4. slingeren, swingen 5. toewuiven
wave /weiv/ 1. gebaren, wuiven, zwaaien 2. baar, golf, gulp 3. onduleren 4. slingeren, swingen 5. toewuiven