From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: watch /wɔtʃ/ 1. horloge, polshorloge 2. klok, uurwerk 3. blikken, kijken, bekijken, kijken naar, schouwen, toekijken, toezien 4. toeschouwen, toeschouwer zijn
watch /wɔtʃ/ 1. horloge, polshorloge 2. klok, uurwerk 3. blikken, kijken, bekijken, kijken naar, schouwen, toekijken, toezien 4. toeschouwen, toeschouwer zijn