From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: tube /tjuːb/ 1. binnenband 2. buis, kanaal, loop, pijp, roer, steel 3. klep, radiolamp, schaal, ventiel
tube /tjuːb/ 1. binnenband 2. buis, kanaal, loop, pijp, roer, steel 3. klep, radiolamp, schaal, ventiel