From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: treat /triːt/ 1. behandelen, cureren 2. verhandelen 3. onthalen, trakteren, vergasten, vrijhouden 4. onthaal, tractatie 5. onderhandelen
treat /triːt/ 1. behandelen, cureren 2. verhandelen 3. onthalen, trakteren, vergasten, vrijhouden 4. onthaal, tractatie 5. onderhandelen