From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: thus /θʌs/ 1. als volgt 2. bijgevolg, derhalve, dus, zodoende 3. aldus, in dier voege, op die wijze, zo, zodanig 4. zozeer 5. op die manier, zus 6. op deze manier, op deze wijze
thus /θʌs/ 1. als volgt 2. bijgevolg, derhalve, dus, zodoende 3. aldus, in dier voege, op die wijze, zo, zodanig 4. zozeer 5. op die manier, zus 6. op deze manier, op deze wijze