From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2:
test /tist/ 1. examen, keuring, onderzoek, nauwkeurig onderzoek 2. probeersel, proefstuk 3. beproeven, passen, aanpassen, proberen, toetsen, uitproberen 4. beproeving, poging, proef, test, toets, toetsing 5. testen