From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: tell /tel/ 1. opgeven, zeggen 2. belasten met, opdracht geven, opdragen 3. bevelen, gelasten, sommeren, verordenen, voorschrijven 4. debiteren, verhalen, vertellen
tell /tel/ 1. opgeven, zeggen 2. belasten met, opdracht geven, opdragen 3. bevelen, gelasten, sommeren, verordenen, voorschrijven 4. debiteren, verhalen, vertellen