From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: swoon /swuːn/ 1. bewusteloos raken, bezwijmen, flauw vallen, in zwijm vallen 2. flauwte, onmacht, bezwijming, zwijm
swoon /swuːn/ 1. bewusteloos raken, bezwijmen, flauw vallen, in zwijm vallen 2. flauwte, onmacht, bezwijming, zwijm