From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: sweet /swiːt/ 1. oppassend, zoet 2. liefelijk, zacht 3. lekkernij, snoep, snoepgoed, versnapering
sweet /swiːt/ 1. oppassend, zoet 2. liefelijk, zacht 3. lekkernij, snoep, snoepgoed, versnapering