From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: suit /suːt/ 1. complet, set, stel, stelletje 2. betamem, gelegen komen, passen, schikken, uitkomen, voegen 3. costuum, dracht, gewaad, klederdracht, kostuum, pak 4. deugen, geschikt zijn
suit /suːt/ 1. complet, set, stel, stelletje 2. betamem, gelegen komen, passen, schikken, uitkomen, voegen 3. costuum, dracht, gewaad, klederdracht, kostuum, pak 4. deugen, geschikt zijn