From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: struggle /strʌgl/ 1. spartelen, worstelen, zich aftobben 2. kampen, strijden, strijd voeren, vechten 3. gevecht, kamp, slag, strijd, treffen, veldslag
struggle /strʌgl/ 1. spartelen, worstelen, zich aftobben 2. kampen, strijden, strijd voeren, vechten 3. gevecht, kamp, slag, strijd, treffen, veldslag