From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2:
strike /straik/ 1. houwen, klappen, kloppen, slaan 2. aanboren 3. aanflitsen, aanfloepen, aangaan, ontbranden 4. aanslaan, wortel schieten 5. opvallen 6. strijken 7. imponeren, indruk maken op 8. staken 9. staking, werkstaking 10. halen, inslaan, raken, teisteren, treffen