From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2:
stop /stɔp/ 1. logeren 2. halte, pleisterplaats, stopplaats 3. afslaan, blijven staan, halthouden, stilhouden, stilstaan, stoppen 4. aanhouden, keren, stilleggen, stilzetten, stuiten 5. afzetten, buiten werking stellen, stopzetten 6. uitschakelen, uitzetten 7. statie, station 8. stop 9. aflaten, ophouden, uitscheiden, wijken 10. afbreken, opbreken, opheffen, staken, stelpen