From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: stick /stik/ 1. aanhangen, kleven, vastkleven 2. staafje, stokje 3. staf, stok 4. lijmen, hechten, plakken
stick /stik/ 1. aanhangen, kleven, vastkleven 2. staafje, stokje 3. staf, stok 4. lijmen, hechten, plakken