From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: stay /stei/ 1. logeren 2. oponthoud, verblijf 3. blijven, overblijven, resten, resteren, toeven, verblijven
stay /stei/ 1. logeren 2. oponthoud, verblijf 3. blijven, overblijven, resten, resteren, toeven, verblijven