From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2:
start /stɑːt/ 1. aanzetten, aanzetten tot, activeren 2. aan de praat krijgen, op gang brengen 3. beginnen, een aanvang nemen 4. begin 5. opspringen 6. afvaren 7. de stoot geven tot, het initiatief nemen tot 8. aanbinden, aanvangen 9. aanbreken, ingaan 10. aanvang, ontstaan 11. aanhef, intrede 12. starten