From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: stand /stænd/ 1. huisje, keet, kraam, loods, schuur, stalletje, tent 2. gaan staan, opstaan 3. staan 4. zich voordoen
stand /stænd/ 1. huisje, keet, kraam, loods, schuur, stalletje, tent 2. gaan staan, opstaan 3. staan 4. zich voordoen