From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: stack /stæk/ 1. accumuleren, ophopen, opeenhopen 2. stapelen, opstapelen, opeenstapelen, tassen 3. op een stapel zetten 4. hoop, opper, hooiopper, schelf, stapel
stack /stæk/ 1. accumuleren, ophopen, opeenhopen 2. stapelen, opstapelen, opeenstapelen, tassen 3. op een stapel zetten 4. hoop, opper, hooiopper, schelf, stapel