From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: sour /sauər/ 1. doordringend, schel, scherp 2. zuur 3. verzuren, zuur worden 4. wrang 5. bars, honds, nors, nurks, onaardig, onvriendelijk, stuurs
sour /sauər/ 1. doordringend, schel, scherp 2. zuur 3. verzuren, zuur worden 4. wrang 5. bars, honds, nors, nurks, onaardig, onvriendelijk, stuurs