From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: soil /sɔil/ 1. aarde, bodem, fond, grond, ondergrond, voedingsbodem 2. bekladden, bezoedelen, smetten, vlekken, bevlekken 3. bevuilen, verontreinigen, vuilmaken 4. aardrijk, land
soil /sɔil/ 1. aarde, bodem, fond, grond, ondergrond, voedingsbodem 2. bekladden, bezoedelen, smetten, vlekken, bevlekken 3. bevuilen, verontreinigen, vuilmaken 4. aardrijk, land