From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: sink /siŋk/ 1. aan de grond raken, zinken 2. aanboren 3. inzinken, wegzakken 4. doen zinken, tot zinken brengen 5. duiken, onderduiken
sink /siŋk/ 1. aan de grond raken, zinken 2. aanboren 3. inzinken, wegzakken 4. doen zinken, tot zinken brengen 5. duiken, onderduiken