From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: sight /sait/ 1. aanblik, aanzien, air, schijn, uiterlijk, verschijning, voorkomen 2. richtmiddel, vizier, zoeker 3. zicht, gezicht, gezichtsvermogen
sight /sait/ 1. aanblik, aanzien, air, schijn, uiterlijk, verschijning, voorkomen 2. richtmiddel, vizier, zoeker 3. zicht, gezicht, gezichtsvermogen