From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: side /said/ 1. bij‐, minder belangrijk, ver, zij‐, zijdelings 2. flank, kant, zij, zijde, zijkant 3. partij, stem
side /said/ 1. bij‐, minder belangrijk, ver, zij‐, zijdelings 2. flank, kant, zij, zijde, zijkant 3. partij, stem