From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: shock /ʃɔk/ 1. schokken, schudden, opschudden, wrikken 2. aanstoot geven, choqueren, kwetsen 3. shock
shock /ʃɔk/ 1. schokken, schudden, opschudden, wrikken 2. aanstoot geven, choqueren, kwetsen 3. shock