From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2:
shed /ʃet/ 1. afdak, luifel 2. schutdak 3. barak, keet, loods, schuur 4. huisje, kraam, stalletje, tent 5. afwerpen, uit het zadel lichten, uit het zadel werpen 6. berghok 7. markies, zonnescherm 8. gieten, plengen, schenken, storten, vergieten