From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: share /ʃɛər/ 1. aandeel, actie 2. afbreken, delen, splitsen, opsplitsen, verdelen 3. deel, gedeelte, onderdeel, Part, stuk 4. deelnemen, meedoen, meemaken, participeren 5. portie, rantsoen, taks
share /ʃɛər/ 1. aandeel, actie 2. afbreken, delen, splitsen, opsplitsen, verdelen 3. deel, gedeelte, onderdeel, Part, stuk 4. deelnemen, meedoen, meemaken, participeren 5. portie, rantsoen, taks