From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: rob /rɔb/ 1. beroven, uitplunderen 2. bestelen, zich vergrijpen aan 3. buit maken, plunderen, roven, stropen
rob /rɔb/ 1. beroven, uitplunderen 2. bestelen, zich vergrijpen aan 3. buit maken, plunderen, roven, stropen