From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: risk /risk/ 1. kans lopen, op het spel zetten, risico lopen, riskeren, wagen 2. gewaagdheid, risico, waag, waagstuk
risk /risk/ 1. kans lopen, op het spel zetten, risico lopen, riskeren, wagen 2. gewaagdheid, risico, waag, waagstuk