From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2:
right /rait/ 1. rechter‐, rechts, vandehands 2. naar rechts, rechtsaf, rechtsom 3. correct, goed, juist, zuiver 4. gegrond, gelijk hebbend 5. bevoegdheid, recht 6. net, OK, okee, okay, oké, pal, precies