From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: quash /kwɔʃ/ 1. vernielen, vernietigen, verwoesten 2. doen falen, laten mislukken, verijdelen 3. afwijzen
quash /kwɔʃ/ 1. vernielen, vernietigen, verwoesten 2. doen falen, laten mislukken, verijdelen 3. afwijzen