From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: puzzle /pʌzl/ 1. puzzel, raadsel 2. verbijsteren 3. dooreenhalen, van zijn stuk brengen, verwarren, verwisselen 4. onthutsen, ontstellen, ontzetten, verbluffen
puzzle /pʌzl/ 1. puzzel, raadsel 2. verbijsteren 3. dooreenhalen, van zijn stuk brengen, verwarren, verwisselen 4. onthutsen, ontstellen, ontzetten, verbluffen