From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: profit /prɔfit/ 1. baat, gewin, verdienste, winst 2. profiteren, voordeel trekken uit, winst maken 3. belang, profijt, voordeel
profit /prɔfit/ 1. baat, gewin, verdienste, winst 2. profiteren, voordeel trekken uit, winst maken 3. belang, profijt, voordeel