From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: produce /prədjuːs/ 1. afwerpen, opbrengen, opleveren, voortbrengen 2. bewerkstelligen, realiseren, verwerkelijken, uitvoeren
produce /prədjuːs/ 1. afwerpen, opbrengen, opleveren, voortbrengen 2. bewerkstelligen, realiseren, verwerkelijken, uitvoeren