From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: print /print/ 1. afdruk 2. spoor 3. drukken, afdrukken, boekdrukken, printen 4. druk 5. bedrukken
print /print/ 1. afdruk 2. spoor 3. drukken, afdrukken, boekdrukken, printen 4. druk 5. bedrukken