From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2:
practice /præktis/ 1. aanwenden, doorvoeren, in toepassing brengen, toepassen 2. oefenen, zich oefenen 3. oefening 4. beoefening, uitoefening 5. beoefenen, betrachten, in de praktijk brengen, uitoefenen 6. praktijk