From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: place /pleis/ 1. aanbrengen, monteren 2. lokaal, plaats, plek, oord 3. leggen, plaatsen, situeren, stationeren 4. lokaliteit, ruimte, zetel 5. steken, stellen, stoppen, zetten
place /pleis/ 1. aanbrengen, monteren 2. lokaal, plaats, plek, oord 3. leggen, plaatsen, situeren, stationeren 4. lokaliteit, ruimte, zetel 5. steken, stellen, stoppen, zetten