From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2:
order /ɔːdər/ 1. aanvoeren, bevelen, commanderen, het bevel voeren 2. aanvragen, bestellen 3. aanvraag, bestelling, order 4. decoratie, ereteken, orde, kloosterorde, ridderorde 5. rangorde 6. gelasten, sommeren, verordenen, voorschrijven 7. bevel, bevelschrift, gebod, sommatie, verordening 8. aaneenschakeling, opeenvolging, volgorde