From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: miscarry /miskæriː/ 1. een miskraam krijgen, ontijdig bevallen 2. falen, misgaan, mislukken, sjezen, stralen, stranden, zakken
miscarry /miskæriː/ 1. een miskraam krijgen, ontijdig bevallen 2. falen, misgaan, mislukken, sjezen, stralen, stranden, zakken