From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: measure /meʒər/ 1. meten 2. afmeten, opmeten, opnemen, roeien, uitmeten 3. grootte, maat, mate
measure /meʒər/ 1. meten 2. afmeten, opmeten, opnemen, roeien, uitmeten 3. grootte, maat, mate