From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: lift /lift/ 1. opgraven, rooien 2. beuren, heffen, ophalen, oprichten, tillen, verheffen 3. opgaan, opkomen, opstaan, rijzen, stijgen, verrijzen, wassen 4. lift
lift /lift/ 1. opgraven, rooien 2. beuren, heffen, ophalen, oprichten, tillen, verheffen 3. opgaan, opkomen, opstaan, rijzen, stijgen, verrijzen, wassen 4. lift