From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2:
leave /liːv/ 1. afvaren 2. afreizen, op reis gaan 3. afgaan, vertrekken, weggaan, zich verwijderen 4. in de steek laten, laten varen, verlaten 5. verlof, vrijaf 6. nalaten 7. laten, laten begaan, laten schieten, loslaten, toelaten